Skip to content

Opslag gevaarlijke stoffen

Wie gevaarlijke stoffen opslaat in een bedrijf, labo of werkplaats, zoals ontvlambare vloeistoffen, zuren, logen, gasflessen of lithium-ionbatterijen, krijgt te maken met de federale regels voor het welzijn op het werk en met de milieuregels van het gewest. In deze gids over de opslag van gevaarlijke stoffen zetten we die regels op een rij, leggen we het verschil uit tussen ontvlambaar en brandbaar en tonen we per productgroep welke kast past.

Ontvlambaar of brandbaar: wat is het verschil?

Het verschil zit in het vlampunt: de laagste temperatuur waarbij een vloeistof genoeg damp afgeeft om te ontbranden. De Codex over het welzijn op het werk deelt vloeistoffen zo in (art. III.5-2):

Klasse volgens de CodexVlampuntVoorbeelden
Zeer licht ontvlambaaronder 0 °C, kookpunt tot 35 °Cbenzine, diethylether (ether), aceetaldehyde
Licht ontvlambaaronder 21 °Caceton, ethanol en spiritus (brandalcohol), isopropanol (IPA), methanol, tolueen, ethylacetaat, wasbenzine, petroleumether (kookbereik vanaf 40 °C), cellulose- en nitroverdunner, veel contactlijmen en remmenreinigers
Ontvlambaar21 tot 55 °Cwhite spirit (terpentijnvervanger), terpentijn, xyleen, petroleum en kerosine, ijsazijn, veel verven en vernissen op basis van white spirit
Brandbaar55 tot 100 °Cdiesel, stookolie (mazout), butylglycol (in sommige reinigers)

Vlampuntschaal met de klassen zeer licht ontvlambaar, licht ontvlambaar, ontvlambaar en brandbaar volgens de Codex, met voorbeelden van benzine tot diesel

Zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen kunnen dus al bij kamertemperatuur ontbranden; een brandbare vloeistof geeft pas genoeg damp af als ze opgewarmd wordt. Op het etiket en in het veiligheidsinformatieblad staat de Europese CLP-indeling, met H224 (zeer licht ontvlambaar), H225 (licht ontvlambaar) en H226 (ontvlambaar). Die gebruikt iets andere grenzen (23 en 60 °C) dan de Codex. Diesel en stookolie dragen daardoor vaak toch H226: de CLP-indeling laat dat toe voor gasolie met een vlampunt tot 75 °C.

Bij mengsels zoals verf, lijm en reinigers telt het vlampunt van het mengsel, niet dat van één bestanddeel. U vindt het in rubriek 9 van het veiligheidsinformatieblad. Producten op waterbasis zijn meestal niet ontvlambaar. Motorolie, hydraulische olie, smeervet en frituurolie hebben een vlampunt ver boven 100 °C en vallen buiten deze indeling.

Spuitbussen, zoals verf, remmenreiniger of kruipolie, hebben een eigen CLP-indeling (H222 en H223) en vallen niet onder deze tabel. Hun drijfgas is meestal licht ontvlambaar, dus ook zij horen bij voorkeur in de kast voor ontvlambare vloeistoffen.

Voorbeelden per werkplek

Welke producten u bewaart, hangt sterk af van uw activiteit. Enkele voorbeelden:

WerkplekTypische producten
Garage en werkplaatsbenzine, diesel, remmenreiniger, ontvetter, spuitbussen, accuzuur, gasflessen om te lassen (acetyleen, zuurstof), accu's van elektrisch gereedschap
Schilder, schrijnwerker en renovatieverdunner, white spirit, aceton, lak en vernis op solventbasis, contactlijm, propaanflessen voor branders
Labo en onderwijsethanol, methanol, aceton, ether, tolueen, ijsazijn, zoutzuur, zwavelzuur, natronloog, gasflessen
Schoonmaak, onderhoud en zorgisopropanol en ontsmettingsalcohol, spiritus, ontkalkers (zuur), ontstoppers en bleekwater (basisch), batterijen van toestellen
Productie en industrieoplosmiddelen en reinigers in vaten of jerrycans, lijmen en harsen, procesgassen, batterijen van handgereedschap

Elke groep vraagt een eigen kast: voor ontvlambare vloeistoffen, voor zuren en logen, voor gasflessen en voor batterijen. Hieronder leest u per groep waar u op let.

Wat de wet vraagt op de werkplek

Wat de wet vraagt op de werkplek

Boek III, titel 5 van de Codex over het welzijn op het werk geldt vanaf 50 liter zeer licht en licht ontvlambare, 500 liter ontvlambare of 3.000 liter brandbare vloeistoffen (art. III.5-1). Opslag betekent een hoeveelheid die groter is dan wat u op één dag gebruikt (art. III.5-2). Zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen in verplaatsbare recipiënten horen dan in een opslagplaats of in een veiligheidskast (art. III.5-6).

Een voorbeeld: een garage met twee jerrycans benzine van 20 liter en een bus aceton van 10 liter heeft samen 50 liter zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen in voorraad. Vanaf die hoeveelheid geldt titel 5.

Het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming vraagt bovendien om ontvlambare of giftige vloeistoffen en gassen in werkplaatsen te beperken tot het strikte minimum, in onbreekbare recipiënten die hermetisch sluiten; in labo's mag glas tot 3 liter (ARAB, art. 52.8.4). Ook boek VI van de Codex vraagt de hoeveelheid chemische producten op de werkplek zo klein mogelijk te houden en onverenigbare producten gescheiden op te slaan (art. VI.1-12 en VI.1-20).

Een veiligheidskast is volgens de Codex een kast in onbrandbaar materiaal. Ze moet:

  • een lekbak hebben die minstens het grootste recipiënt bevat en minstens een vierde van alle recipiënten samen (art. III.5-7 en bijlage III.5-1);
  • deuren hebben die bij brand vanzelf sluiten (art. III.5-7);
  • afdoende geventileerd worden (art. III.5-11).

De recipiënten blijven gesloten en beschermd tegen zon en warmtebronnen (art. III.5-12). Er geldt een rook- en vuurverbod met pictogram (art. III.5-47), onbevoegden hebben geen toegang (art. III.5-64) en andere stoffen mogen er alleen bij als ze het risico niet verhogen en niet gevaarlijk reageren met de vloeistoffen (bijlage III.5-1, punt 3). Werken met vuur in de opslagplaats vraagt een voorafgaande schriftelijke toelating van de werkgever (art. III.5-48), en bij het hanteren van de vloeistoffen voorkomt u morsen op de vloer (art. III.5-57); houd daarvoor absorptiemateriaal bij de hand.

Kiest u voor een apart opslaglokaal, dan gelden ook bouwvoorschriften. Vanaf 50 liter vloeistof met een vlampunt tot 21 °C, 500 liter tussen 21 en 50 °C of 300 liter brandbaar gas vraagt het ARAB wanden en zelfsluitende deuren met minstens een half uur brandweerstand (art. 52.2 en 52.3).

Melding of vergunning: de drempels per gewest

Naast de federale regels bepaalt het gewest vanaf welke hoeveelheid u de opslag moet melden of een vergunning nodig hebt: een omgevingsvergunning in Vlaanderen, een milieuvergunning in Brussel en Wallonië. De hoeveelheden gelden voor de hele site, opgeteld. De laagste drempels:

GewestMelding vanafVergunning vanaf
Vlaanderen (Vlarem)verpakkingen tot 30 liter, samen 50 tot 5.000 liter of kg: melding (rubriek 17.4); anders: CLP-categorie 1 en 2 vanaf 50 kg, categorie 3 vanaf 100 kg; gasflessen: vanaf 300 liter waterinhoudcategorie 1 en 2: meer dan 2 ton; categorie 3: meer dan 10 ton; gasflessen: meer dan 1.000 liter
Brussel (Leefmilieu Brussel)vlampunt 21 tot 55 °C: 100 liter; 55 tot 100 °C: 3.000 litervlampunt tot 21 °C: 50 liter; 21 tot 55 °C: meer dan 500 liter; 55 tot 100 °C: meer dan 10.000 liter; gasflessen: 300 liter
Wallonië (SPW)CLP-categorie 1: 50 liter; categorie 2 (onder meer benzine): 100 liter; categorie 3, diesel en stookolie: 3.000 liter; propaan en butaan: meer dan 300 litercategorie 1: 500 liter; categorie 2: 5.000 liter; categorie 3: 25.000 liter; propaan en butaan: meer dan 700 liter; andere gassen: meer dan 500 liter

Vlaanderen en Wallonië werken met de CLP-categorieën van het etiket (categorie 1 = H224, 2 = H225, 3 = H226); Brussel met het vlampunt.

In Brussel vraagt elke wijziging vooraf een toelating: andere of meer producten, of een ander type veiligheidskast. Vraag bij twijfel aan uw gemeente welke rubriek op uw opslag van toepassing is.

Waar mag de kast staan?

Waar mag de kast staan?

De Codex verbiedt de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare en ontvlambare vloeistoffen in kelderverdiepingen, ook in een veiligheidskast (art. III.5-6). Voor flessen met propaan of butaan geldt hetzelfde kelderverbod (ARAB, art. 52.6.2).

In Brussel vraagt Leefmilieu Brussel bovendien een plaats buiten evacuatiewegen, op minstens 1 meter van deuren en vensters. Kies verder een vlakke, draagkrachtige vloer: een kast van type 90 weegt al snel enkele honderden kilo.

Ontvlambare vloeistoffen: norm en opvangbak

Voor kasten voor ontvlambare vloeistoffen geldt de Europese norm EN 14470-1. Het type (15, 30, 60 of 90) zegt hoeveel minuten de temperatuur in de kast bij een brand van buitenaf met niet meer dan 180 K stijgt. In Brussel moeten veiligheidskasten die na 1 januari 2006 geplaatst zijn aan deze norm voldoen.

De Belgische regels schrijven geen bepaald type voor. Welk type u nodig hebt, volgt uit de risicoanalyse, uw vergunning of het advies van de brandweer. Het verschil tussen type 30 en type 90 lichten we toe bij de brandwerende chemicaliënkasten.

Let op de opvangbak: de norm vraagt 10 % van de totale inhoud of 110 % van de grootste verpakking, maar de Codex is strenger en vraagt minstens het grootste recipiënt en een vierde van het totaal. Hoe de norm test en wat bij brand vanzelf sluit, leest u in onze uitleg over EN 14470-1.

Rekenvoorbeeld opvangbak: norm EN 14470-1 vraagt 22 liter, de Codex 22,5 liter

Een rekenvoorbeeld: in een kast staan tien bussen van 5 liter en twee jerrycans van 20 liter, samen 90 liter. De norm vraagt dan 22 liter opvang, want 110 % van 20 liter is meer dan 10 % van 90 liter. De Codex vraagt 22,5 liter, want een vierde van 90 liter is meer dan het grootste recipiënt.

Afzuiging en ventilatie

Afzuiging en ventilatie

Elke opslagplaats moet afdoende geventileerd worden, natuurlijk of kunstmatig (Codex, art. III.5-11). Een kast volgens EN 14470-1 heeft daarvoor openingen voor toe- en afvoer, die bij brand rond 70 °C vanzelf sluiten. Of de kast op een technische afzuiging moet, hangt af van de stoffen, de hoeveelheid en de ruimte.

In Brussel vraagt Leefmilieu Brussel een afvoer rechtstreeks naar buiten of naar een lokaal dat zelf naar buiten verlucht, via openingen die even brandwerend zijn als de kast of met brandwerende kleppen. Bij mechanische ventilatie moet minstens tien keer het volume van de kast per uur ververst worden. Asecos vermeldt per kast het luchtdebiet daarvoor. Wij sluiten de kast aan op een bestaande afzuigleiding; de leiding zelf leggen wij niet.

Zuren en logen

Zuren en logen

Zuren en logen zijn meestal niet ontvlambaar, maar wel bijtend: ze tasten metaal, verpakkingen en elkaar aan. Veelvoorkomende zuren zijn zoutzuur, zwavelzuur (ook in accuzuur), salpeterzuur, fosforzuur en de zuren in ontkalkers. Veelvoorkomende logen zijn natronloog (natriumhydroxide, ook in ontstoppers), kaliloog, ammoniak en bleekwater.

De werkgever moet onverenigbare chemische producten gescheiden opslaan (Codex, art. VI.1-20), en in Brussel vraagt Leefmilieu Brussel aparte vakken, elk met een eigen opvangbak. Zuren en logen staan dus apart. Bleekwater geeft met een zuur of met ammoniak giftige gassen; houd het van beide gescheiden. Oxiderende stoffen zoals waterstofperoxide en salpeterzuur horen niet bij ontvlambare vloeistoffen. IJsazijn is zowel bijtend als ontvlambaar en hoort daarom in een kast voor ontvlambare vloeistoffen, apart van logen.

De kasten daarvoor hebben gescheiden vakken in corrosiebestendig materiaal. Ze zijn niet brandwerend: moeten er ook ontvlambare vloeistoffen bij, dan kiest u een combinatiekast met een brandwerend deel. Bekijk onze kasten voor zuren en logen.

Gasflessen

Gasflessen

Voor gasflessen in een gebouw geldt de norm EN 14470-2, met type G30 of G90. Tijdens die 30 of 90 minuten mag de temperatuur aan de ventielhouder van de fles bij een brand niet meer dan 50 K stijgen. De kast ventileert de hele binnenruimte: minstens tien luchtwisselingen per uur bij brandbare of brandbevorderende gassen en 120 bij giftige gassen.

De gangbare gassen vallen in vier groepen. Brandbaar: propaan, butaan, acetyleen en waterstof. Brandbevorderend: zuurstof en lachgas; die branden zelf niet, maar maken een brand heviger en horen niet naast brandbare gassen of vloeistoffen. Verstikkend: stikstof, argon, koolzuurgas (CO2) en helium; bij een lek verdringen ze de zuurstof, vooral in kleine of slecht verluchte ruimten. Giftig: onder meer ammoniak en koolmonoxide. Zet flessen rechtop vast met een band of ketting.

Het ARAB verbiedt flessen met propaan of butaan in kelderverdiepingen; lege of ongebruikte flessen staan buiten of in een verlucht lokaal dat daarvoor bestemd is (art. 52.6). Vanaf 300 liter waterinhoud aan brandbaar gas gelden voor een opslaglokaal de bouwvoorschriften van het ARAB, en ook de gewesten leggen hun eerste drempel rond 300 tot 500 liter. Voor buiten bestaan verzinkte kasten met verluchting en een dak. Meer bij onze gasflessenkasten.

Lithium-ionbatterijen

Lithium-ionbatterijen

Een lithium-ionbatterij kan na een val, door een productiefout of tijdens het laden vanzelf in brand vliegen, en die brand kan overslaan op andere batterijen. De regels hierboven gaan over vloeistoffen en gassen en bevatten geen aparte bepalingen voor batterijen; de werkgever neemt ze op in zijn risicoanalyse. Een kast voor batterijen moet in twee richtingen beschermen: tegen een brand van buitenaf en tegen een brand die in de kast zelf ontstaat. De Duitse testmethode VDMA 24994 test precies dat; meer daarover in onze uitleg over brandwerende opslag van lithiumbatterijen.

Denk aan accu's van elektrisch gereedschap, batterijen van e-bikes en elektrische steps, laptops, tablets en gsm's, powerbanks en drones.

De eerste keuze is of u batterijen alleen bewaart of ook oplaadt. Voor opslag zonder laden volstaat een brandwerende batterijkast; om te laden is een laadkast nodig, met stopcontacten in een brandveilig compartiment, rook- en temperatuurdetectie en alarmdoormelding. Een vast aantal batterijen per kast leggen de Belgische regels niet op: de grens komt van de kast, vooral de maximale batterij-energie in kWh die de fabrikant opgeeft, en van uw risicoanalyse. Tel daarvoor de wattuur van alle batterijen op (spanning maal capaciteit). Houd beschadigde batterijen apart en meld oplaadpunten aan de hulpdiensten via het interventiedossier. Zie onze veiligheidskasten voor batterijen.

Zo pakt u het aan in zes stappen

Zo komt u van een lijst producten tot de juiste kast op de juiste plaats.

  1. Maak een lijst van alle producten, met hoeveelheid en soort verpakking.
  2. Zoek per product in het veiligheidsinformatieblad de gevarenaanduidingen (rubriek 2), de opslagvoorwaarden (rubriek 7), het vlampunt (rubriek 9) en de stoffen waarmee het niet samen mag (rubriek 10).
  3. Tel de hoeveelheden op per klasse en vergelijk ze met de Codex en met de drempels van uw gewest.
  4. Verdeel de producten in groepen die samen mogen staan en kies per groep de kast en de grootte, met een lekbak die volstaat.
  5. Kies de plaats en bekijk of de kast op een afzuiging moet.
  6. Houd de opslag in orde: deuren dicht, pictogrammen zichtbaar, lekbak schoon en uw medewerkers op de hoogte van de regels (Codex, art. III.5-62 tot III.5-65).

In zes stappen naar een correcte opslag van gevaarlijke stoffen

Stuurt u ons die lijst per e-mail, dan helpen we bij stap 4 en 5.

Een Asecos-bestelnummer lezen

De modelnaam van een Asecos-kast vertelt wat u koopt. Bij G90.205.120 staat G90 voor een gasflessenkast van type 90, 205 voor de hoogte in centimeter en 120 voor de breedte. Bij UB90.080.110.060.2S volgen op het type de hoogte, de breedte en de diepte, en betekent 2S twee schuiflades (2T: twee deuren).

Het bestelnummer zelf bestaat uit drie delen: de kast, de kleur en de inrichting. Zo heeft de Q90.195.060 met een deur in goudgeel (RAL 1004) het nummer 30072-040-30076, en met een deur in lichtgrijs (RAL 7035) 30072-041-30076. Wij zetten het juiste nummer in uw offerte.

Modelnaam en bestelnummer van een Asecos-kast uitgelegd met de Q90.195.060: reeks, hoogte, breedte, kast, kleur en inrichting

Levering en plaatsing

Wij leveren en plaatsen de kasten met ons eigen team in heel België en sluiten ze waar nodig aan op uw bestaande afzuiging. Antwoorden op praktische vragen vindt u in onze veelgestelde vragen over veiligheidskasten en gevaarlijke stoffen. Stuur ons een e-mail met de producten en hoeveelheden die u wilt bewaren, dan stellen we een passende kast voor.

Vraag advies per e-mail

< >